Details
378 p. : ill.
Crititques
De Volkskrant
In 1459 verscheen een rondzwervende franciscaan, Robinet de Vaux, voor een rechtbank in Langres. Hij was aangeklaagd vanwege ketterse uitlatingen. De Vaux moest de namen noemen van medestanders, en twee daarvan verbleven in de omgeving van Arras.
Dat kwam Pierre le Broussard ter ore, die ketterij moest bestrijden in die stad. Hij pakte het grondig aan: verdachten werden scherp verhoord en soms gemarteld, en zo kon hij een flinke lijst van ketters samenstellen. De brandstapel dreigde.
Een van die burgers was Colard de Beaufort, oud-kamerheer van hertog Filips de Goede van Bourgondië. Filips greep in. Hij twijfelde niet aan het bestaan van ketters, maar dat zijn oud-kamerheer daar iets mee te maken had, leek onmogelijk. Ook voor Filips was zo'n beschuldiging gevaarlijk. Men zou kunnen denken dat hij een ketter had beschermd.
Filips zette de bisschop van Atrecht onder druk om het proces te stoppen, maar die stond pal achter Broussard. Twaalf doodvonnissen werden uitgevoerd. Filips gaf niet op. Hij vroeg de theologen in Leuven om hun oordeel. Hierdoor gesterkt stapten nabestaanden naar het hoogste Franse rechtscollege, het Parlement van Parijs.
In een nieuwe rechtszaak werden de overige verdachten vrijgesproken. Dertig jaar later volgde rehabilitatie voor de terechtgestelden.
Het 'tijdperk van de heksenjacht' moest toen nog beginnen, maar de gebeurtenissen in Arras hadden grote invloed. Vanaf dat moment besefte men in de Lage Landen dat de beschuldigingen van hekserij weliswaar verontrustend waren, maar daarmee nog niet waar.
In de Zuidelijke Nederlanden barstte de heksenwaan rond 1600 alsnog los, door een stel verordeningen van koning Filips II. Het Noorden bleef hiervan verschoond; dat had Filips toen al afgezworen.
Alles bij elkaar vielen er in Noord én Zuid duizenden slachtoffers. En vier eeuwen na dato wordt er nog steeds gewerkt aan rehabilitatie, zoals in de stad Gent, waar historica Maartje van der Laak bronnenonderzoek deed. Zoiets levert uiteraard alleen maar méér namen op, vooral van vrouwen. Ze waren een mikpunt: iedereen 'wist' dat vrouwen irrationeel waren, gemakkelijker zondigden en zo een gemakkelijke prooi vormden voor de duivel.
Van der Laak geeft beeldende beschrijvingen van de beklaagden en hun angsten. Ze duikt daarnaast regelmatig in de middeleeuwse kunst en geschiedenis om de wortels van de heksenwaan bloot te leggen. Zeker, geld speelde een rol. Net als de strijd om de macht, burenruzies en oude vetes. Maar voor Van der Laak was vrouwenhaat de kern.
En ze geeft een waarschuwing. Sinds de heksenwaan maakt het idee van de vrouw als 'heks', als bedreiging, deel uit van onze psyche. Het duikt op in sprookjes, boeken, films en tv-series, en versterkt de misogyne trekken van de samenleving. Dat lijkt iets te veel eer voor dat versleten beeld - maar het kan geen kwaad om te laten zien tot welke excessen vrouwenhaat vier eeuwen geleden kon leiden.